De helderziende herbergier

18de eeuw

Uit verschillende bronnen, eerst en vooral van onze ouderen, maar zeker ook uit het Liedje van de herbergen, weten we dat er in Lauw niet zo lang geleden nog heel veel herbergen waren,  op een bepaald ogenblik meer dan twintig. In sommige "speelden ze op de wip", in andere "vogelpik", enz…  Sociale activiteiten in overvloed dus.

Zo was er de herbergier die zijn klanten ook schoor. Een ander had naar het schijnt een bijzondere gave van helderziendheid.

En over die willen we het vandaag hebben.

Lange tijd wist hij zelf niets hierover. Niemand had hem ooit verteld dat mensen die op één november geboren werden iets speciaals hebben. Eén november was de dag waarop de duivelse heks Adelgonde op de brandstapel aan haar eind kwam, en als men dan nog op hetzelfde moment geboren werd, ja dan was men zeker getekend.

Zelfs zijn moeder, of tantes, de vroedvrouw, ... niemand had hem verteld welk lot hem te wachten stond.
Kinderen die in zulke omstandigheden geboren worden weten dit beter te vroeg en niet te laat. Zij moeten erop voorbereid worden dat ze anders zijn dan andere mensen en dat ze door hun gave veel verdriet te verduren zullen hebben.

Noch onze herbergier, noch diegenen die hem kenden hadden ooit iets bijzonders bemerkt aan zijn doen en laten. Als jongetje onderscheidde hij zich in niets van zijn vriendjes en als jonge man zat hij achter de rokken aan zoals al de anderen. Als man zette hij zijn zaak op en achter de toog bepraatte hij de dagelijkse problemen met zijn klanten: het vee, de sterfgevallen, huwelijken, de graanprijs, enz… 

Niemand had ooit een vermoeden dat hij een bijzonder man was.

Dat hij meermaals, als er weinig mensen in de herberg zaten, dromerig achter de toog stond en steeds met de hand over zijn voorhoofd streek vond hij niets bijzonders. Dat zijn moeder - 's winters bij het haardvuur aan het breien - dan verontrust naar hem keek als hij zo onrustig en tegelijkertijd dromerig voor zich uit staarde, leek hij niet te merken.
 
Op een morgen - hij zat weer over zijn voorhoofd te wrijven - vroeg zijn moeder hem wat hij toch had.
- " Niets moeder, niets! Wat zou ik hebben? Ik denk zo maar wat."
- " Pas op jongen, teveel denken is soms gevaarlijk. Zie je wat in je gedachten? "
Hij verbaasde zich over deze vraag.
- " Wat zou ik moeten zien? Ik wou dat ik wat zag, dan zou ik weten waarom mijn hersens zo gloeien."
- " Bid God in de hemel dat je nooit wat zult zien ", antwoordde zijn moeder.
-
Daarop kwamen weer klanten de herberg binnen en stopte dit gesprek.
Ieder had zijn eigen gedachten en die waren niet altijd uit te spreken. Wie lette er toen nog op de oude vrouw!
De herberg is een plaats voor de jeugd, voor vreugde en zorgeloosheid !
De moeder zat in een hoek, gebogen en in gedachten verzonken. Haar lange vingers wreven over de wangen en wanhopig van verdriet staarde ze in het vuur.

Waarom had ze hem nog niet verteld wat voor last hij moest dragen?

Nu praatte hij weer onbekommerd met de man aan het tafeltje. Hoe zou ze hem ooit moeten vertellen over de bijzondere gave die hij bezat ?

De winter ging voorbij zonder dat ze nog op het onderwerp terugkwamen, maar op een zwoele zomeravond zat de moeder weer op diezelfde stoel, gebogen over de gedoofde haard. Een rilling liep over haar rug. Ze was nu al heel oud. De herinnering aan het vuur dat daar in de winter brandde, deed haar goed.
Haar zoon stond in de deur en keek naar buiten, de nacht in. De velden lagen wijd uitgestrekt in het schemerduister. Het weggetje leek er des te smaller door. Geen vogeltje dat zich liet horen. De herbergier merkte dat heel in de verte een koets naderde, zo langzaam dat hij in de nevel aan de horizon niet vooruit scheen te geraken. Om beter te kijken boog hij iets naar voor.   
Wat een vreemde wagen!

De duisternis viel nu vlug, er waren die nacht bijna geen sterren. Een diepe stilte hing over Lauw.
De herbergier wist niet hoe lang hij naar dat lichtje in de verte staarde. Hij raakte elk besef van tijd kwijt. Hoewel alles pikdonker was, zag de herbergier de wagen nu veel duidelijker dan in de schemering.
Onherroepelijk kwam deze dichterbij, ook al bleef hij langzaam rijden. Stapvoets, als voor een dodenkoets, gingen de paarden.
  " 's Nachts is er geen begrafenis", dacht de herbergier luid op. "En toch is dat een dodenkoets! "
Hij draaide zich om en vroeg aan zijn moeder: " Wie is er in Lauw dood? "
- " Niemand jongen, ... waarom vraag je dat? Wat is er aan de hand? Je bent lijkbleek."
- " Er komt een lijkwagen aan moeder. "
Nu stond ze recht. Ze voelde de kracht door haar stromen en ging naast haar zoon staan, alsof ze hem in bescherming wilde nemen. 
- " Kijk moeder, ze zijn er al. Zie je de zwarte paarden, de zwarte koets en de man op de bok? Wie brengt men nu 's nachts naar het kerkhof?"

- " Maar neen jongen, er is toch niets te zien!"
- " Zie ik dan geesten? Ben ik helderziende ...?"

Nu schreeuwde zijn moeder het uit. Het grote woord was gevallen. Hij had zijn eigen geheim ontdekt.
Maar geloven kon hij het niet.

De volgende morgen vroeg hij aan iedere klant of er die nacht iemand begraven was.  Sommigen meenden dat hij gedroomd had, anderen dat hij teveel bier gedronken had.  Allen in de herberg keken hem lachend aan.

- " Ik had geen druppel gedronken ", snauwde hij hen toe. Zo kenden ze hem niet!

Sinds die dag werd er veel met hem gelachen en gespot.

" Veel gedroomd vannacht ? " was soms de ochtendgroet. Of nog: " Veel begrafenissen vannacht ? ".

Moeder en zoon zwegen. De zoon dacht dat hij het werkelijk gezien had, de moeder wist dat hij in zijn helderziendheid de toekomst gezien had. Zij wist dat er in Lauw een onheil op komst was. En vroeg zich af of ze er met hem zou over spreken?. 

Na zoveel jaren zwijgen was spreken uiterst moeilijk. Ze vreesde het ogenblik waarop hij zijn vervloekte gave zou herkennen. Maar eens zou het toch gebeuren.
   
Nog dezelfde zomer brak er in Lauw een besmettelijke ziekte uit, die de dokters voor een raadsel stelde. Zelfs grote professoren uit Leuven konden geen geneesmiddel vinden.  Er waren al veel doden in Lauw: zowel kinderen als volwassenen. De lijkkoets had werk als nooit te voren. 

Op een dag - het was stil in de herberg -  zaten moeder en zoon samen voor de haard.  Ze had besloten hem het geheim te openbaren. Maar, het was al te laat...

Plots sloeg hij de handen voor zijn gezicht.
- " Ik heb het gezien moeder, ik heb het gezien."
- " Ja jongen, ik weet het ", antwoordde ze. " Je bent op een speciale dag en op een speciaal ogenblik geboren. "
- "Ik moet het aan de anderen vertellen" stelde hij. "Deze avond nog".

Die avond, toen de bezoekers er allemaal waren, recht voor de toog, begon hij te spreken.
Iedereen zweeg, niemand die nog wilde spotten.
" Ik heb het allemaal gezien " zei hij. En hij vertelde over de lijkwagen in de nacht die langzaam naderde, over de paardenkoppen en de koetsier.  Toen voegde zijn moeder er aan toe: " Ik had het eerder moeten zeggen, dan hadden we ons beter kunnen voorbereiden ".

Er klonken dreigende woorden in de zaal. Sommigen geloofden het verhaal van de herbergier, anderen verzetten zich ertegen dat de man hun noodlot had voorzien. Een paar mannen sloegen fors met hun vuisten op tafel en vloekten. Waarom wilde de vreselijke ziekte niet wijken uit Lauw?

Nog steeds waren er iedere dag doden te betreuren. De lijkwagen hield voor menig huis stil, de doodgraver groef graf na graf. En de dag kwam dat er door de dorpsoverste werd bevolen dat de zwarte koets ook 's nachts zou rijden. Er waren teveel doden en de dokters drongen aan op een vlugge begrafenis omdat er groot besmettingsgevaar was.

Maar het hele dorp verzette zich ertegen. Men wilde zijn doden niet in het donker begraven. Liever lieten ze het leed komen zoals het kwam, dan hierin toe te stemmen !

De dokters schudden het hoofd bij zoveel eigenzinnigheid.
Wilde men dan dat de hele streek besmet zou raken?

De herbergier hoorde het aan en sprak met toonloze stem, terwijl zijn armen slap langs het lichaam hingen. "En toch, en toch moet het gebeuren, 's nachts! "

Die avond stond hij op de drempel van zijn herberg. Uit de schemer, ver weg aan de horizon, kwam de lijkwagen, die stil leek te staan. Of stond hij echt stil voor een huis? Langzaam maar zeker naderde de dodenkoets.

De nacht legde zwarte wolken in de nevel, die steeds breder werden, en zich aaneensloten als de schakels van een ketting. De herbergier bleef gespannen turen. Toen onderscheidde hij de paardenkoppen, de paardenlijven en de bok met de koetsier erop. En zo ging de gruwelijke stoet hem voor de tweede maal voorbij, maar nu in werkelijkheid.