Duivelsteen

Exorcisme in Lauw, van 1250 tot nu


Veel mensen verwonderen zich over de onverwachte hernieuwde belangstelling voor het oude kerkelijke ritueel van de duiveluitdrijving.  Uit welke hoek komt deze belangstelling?  De media hebben  daarin zeker een grote rol gespeeld.  In de voorbije jaren hebben ze dit onderwerp herhaaldelijk uitgebreid aan bod laten komen. 

Ook de publicatie van het vernieuwde kerkelijk rituaal van het exorcisme hebben ze sterk in de verf gezet.  Paus Leo XIII (paus van 1878 tot 1903) publiceerde een reeks gebeden die gebruikt moesten worden tegen de duivel.  Deze paus is ook bekend  voor zijn encycliek Rerum Novarum (betreffende de situatie van de arbeiders op het eind van de 19de eeuw).

Van groot  belang is ook de groeiende interesse die al geruime tijd bij een breed en vooral jong publiek bestaat voor het occulte, het bestaan van geesten, de duivel, het kwade en ook voor het exorcisme.  Het kwade fascineert de mens, ook vandaag nog.  De belangstelling is gegroeid vanuit de ervaring van de mensen, gelovigen en ongelovigen. 

Dat de belangstelling toeneemt kan men afleiden uit dit voorbeeld :
In het aartsbisdom Mechelen-Brussel zijn er 15 mensen aangesteld voor de opvang van exorcismeaanvragers.  In 1998 deden ongeveer 900 mensen een beroep op deze pastorale opvang.  Hierbij dient men nog de mensen te rekenen die zich wenden tot parochiepriesters en zo verder.

In al deze gevallen gaat het normaal gezien niet om een exorcisme in de strikte betekenis van het woord.  Men dient immers een onderscheid te maken tussen wat in de traditie het grote en het kleine exorcisme wordt genoemd. 
Het grote exorcisme vindt enkel plaats wanneer vastgesteld wordt dat iemand door de duivel bezeten is.  Hiervoor gelden nauwkeurig bepaalde criteria die door deskundige priesters en medici dienen opgevolgd te worden, enkel na toelating door de plaatselijke bisschop.  Dergelijke gevallen zijn hoogst uitzonderlijk en dienen met de grootste omzichtigheid behandeld te worden.

De mensen kennen deze vorm van bezetenheid vooral aan de hand van scènes uit thriller-films, en niet zelden beïnvloeden deze voorstellingen hun houding tegenover dit probleem.

Zo werd er in de buurt van 
Lauw al heel vroeg, vroeger nog dan elders, aan duiveluitdrijving gedaan.  Reeds in 1250 wordt er geschreven over de duivelsteen van Lauw.

Daarbij kwam destijds nog dat de priester die de duivel had uitgedreven aan deze laatste een taak kon opleggen.  Hij moest er dan wel rekening mee houden dat die taak niet te zwaar mocht zijn, anders kon de duivel deze misschien slechts gedeeltelijk uitvoeren.

Zo gebeurde er in Villers-l'Evêque een uitdrijving, waarbij de priester de duivel de opdracht gaf een grote steen naar Tongeren te brengen, waar men bezig was met de bouw van de kerk.  Dit was destijds een normale opdracht.  Overal waar kerken gebouwd werden moesten er duivels stenen brengen.

De duivel van Villers-l'Evêque neemt dus zijn steen op de rug en gaat op stap.  Als hij in Lauw voorbij komt vraagt hij aan een inwoner hoever het nog is tot Tongeren.  Als deze hem zegt dat het nog ongeveer 8 km is neemt de duivel de steen van zijn rug en zegt "dat is veel te ver".  Voor te verdwijnen plant hij de steen in de grond.  De steen steekt er nu zowat 2 meter in de grond en is door geen mens uit te graven.  Op de hoek van de Wijnandstraat (Steegbarg) en het Hoogbroek.

Op die steen werden er destijds en nu nog bepaalde testen uitgevoerd.  Zo blijkt dat als men er een meisje of vrouw op zet en haar vraagt of zij een heks is, zij het niet zal kunnen ontkennen.  Op die vraag moet er van op een duivelsteen altijd de waarheid komen.

Hekserij had destijds vele facetten.  Soms waren het geestelijk of moreel ontspoorde vrouwen, anderen waren onschuldigen wiens naam genoemd werd tijdens folteringen (zie vorig verhaal), nog anderen werden beschuldigd van feiten waar ze niets mee te maken hadden, enz.  Steeds was het een gevolg van alom verspreid bijgeloof.

Meestal werden bezweringsformules gebruikt.  Het belezen of overlezen is in oorsprong een verzoek aan de demonen om de zieke te verlaten.  De bezwering is meestal een dreigement om de demonen schrik aan te jagen.  Meestal gaat het bij de bezweringsformule om een vastgelegde en geheime tekst. (zie vorig verhaal over heksen)
Een toverformule doet daarentegen iets ontstaan, roept iets tevoorschijn.
Hokes Pokes………..
Het eenvoudigste voorbeeld van een bezweringsformule vindt men in kinderrijmpjes.
Voorbeeld : voor persoonlijk gebruik tegen de hik

Ik heb den hik,
Drie maal te dik,
Boven de zon, boven de maan,
Mijnen hik zal vergaan. (Heist, 1878)


Zoals aan het eind van dit artikel : ook getallen zijn belangrijk !

De
bezwering begint meestal met een uitdrijvingsbevel.  Vaak zet men dit bevel kracht bij door spuwen, aanblazen of geselen.  De geseling wordt in de zeventiende eeuw als een medische behandeling gepresenteerd.  Men jaagt daarbij de duivels angst aan en het is therapeutisch bruikbaar bij geestesziekten, reumatische aandoeningen (voorbeeld: geselen met netels) enz.

Soms werden patiënten ook behandeld door
aanblazen.  Men blaast daarbij vanaf de voeten tot het hoofd.  Het aanblazen heeft een afwerende werking.  Hierbij wordt de ziektedemon uitgedreven.
Een restant van het aanblazen vindt men ook nog in Lauw, wanneer de moeders na de val van een kind een paar maal over de pijnlijke plek blazen.  Een zelfde soort betekenis heeft het likken van een pijnlijke plek (ook dieren doen dat).

Ook zijn
amuletten soms fel in trek.  Het dragen van een amulet is een internationaal gebruik dat vrijwel tijdloos is.  Men draagt een amulet meestal aan de hals, de arm, de vingers of de oren, of soms elders op niet vertoonbare plekken.  Sommigen steken de konijnenpoot in hun broekzak.
De amulet wordt gebruikt om demonen af te schrikken en als zodanig valt zij onder de magische middelen.
Soms zijn er middelen die men gelijktijdig als amulet en geneesmiddel gebruikt.  Een aftreksel van de maretak op rode wijn is een middel tegen epilepsie.  Een mengsel van wilde kastanjes en peper draagt men in een zakje op de maag (amulet) of men neemt het in bij maagklachten (geneesmiddel).
Men kan ook de twee samen proberen.  Kwestie van zeker te zijn dat het werkt.

Ook
getallen zijn heel belangrijk.  In het algemeen zijn de cijfers 3 en 7 rituele getallen om te genezen.  Ook meervouden van 3 en 7 hebben een bijzondere waarde.  In bezweringsformules worden de woorden vaak driemaal herhaald.  In het kraambed zijn de derde en negende dag de riskante dagen.  Een kind is pas levensvatbaar na zeven maanden zwangerschap. Kinkhoest wordt gedurende zeven weken steeds slechter, daarna treedt de verbetering in die ook zeven weken nodig heeft.  Een kind krijgt in de eerste zeven maanden zijn melktandjes, aan elke kant zeven.  Het verliest deze weer na zeven jaar.  Op 14-jarige leeftijd  treedt gemiddeld de eerste menstruatie op.  De laatste menstruatie is vaak rond de leeftijd van 49 jaar (7 x 7).

Tot slot nog dit: ook dieren worden in de volksgeneeskunde gebruikt bij de behandeling van ziekten.  Een ziek of zwak orgaan zou men daarbij kunnen versterken door het eten van een overeenkomstig orgaan van een dier.  Dat heet dan orgaantherapie.  Bij een nierziekte moet men dan kalfsnieren eten, bij epilepsie
runderhersenen en bij tuberculose kalverlongen.

Verder kon een duivelsteen ook nog tegen andere kwalen gebruikt worden. Zo stelde Dr. Matton "chirurgijn der Franse zeevaart" in 1845 dat eksterogen gemakkelijk en zonder pijn, dankzij deze steen, verwijderd konden worden.
Hiertoe nam men de bevochtigde punt van een duivelsteen (nitras argenti fusus) en bestreek hiermee het eksteroog en ook een ietsje van de huid rondom.
Eerst diende de voet echter geweekt en de bovenste hardheid afgekrabd.
Daags na de strijking werd de huid dan zwart en kwam er een blaartje rondom.
Dit strekte zich tot het hele eksteroog uit zonder dat het pijn veroorzaakte.
Na 8 of 10 dagen kon men het eksteroog gemakkelijk uitkrabben
.

Wie nog voorbeelden heeft, bvb een of ander menu tegen de een of andere ziekte mag dit altijd melden.  Later zullen wij de verschillende recepten publiceren.