De bultenaar van Hasselt


Ergens langs de Jeker woonde lang geleden een vrome familie, boerenmensen.   Ze hadden echter een groot kruis : moeder de vrouw was behekst.  Eigenlijk hoefde je haar niet te zien om dat te weten te komen, ze schreeuwde altijd en overal, vooral 's nachts.…

Soms zat ze langere tijd stil en staarde voor zich uit, maar dan barstte ze weer los en begon te razen en te tieren.
Als haar man laat thuis kwam van zijn werk op het veld en haar niet vond moest hij haar gaan zoeken.  Soms zat ze in een kast verborgen.  Met niemand wilde ze spreken !  Als ze 's nachts wakker werd ging ze zich in de schuur of stal verbergen.
Als hij haar dan vond viel ze hem aan en ontstond er een woest gevecht dat even plots als het begonnen was ook eindigde.

Willoos liet zij zich dan weer in het bed tillen om in een uren lange slaap de kracht te herwinnen voor een nieuwe aanval. Op een keer stond ze met een vlijmscherp scheermes in de hand over haar man gebogen; haar gemompel maakte hem nog net op tijd wakker.

Zo kon dat niet blijven duren, maar wie kon helpen ?

De dokter niet : die gaf haar alleen maar druppels om te slapen.
De pastoor niet : die kwam en sprak zo mooi dat iedereen ontroerd was, maar ook hij kon de boze geest niet uitdrijven.
Alle woorden gleden langs haar af, als regendruppels langs een venster. Zelfs de minderbroeder Jacobus een oude belezer, stond hier machteloos. "Daar kan ik niet meer tegen op", zei hij, "ik ben al veel te oud." En hij raadde de man aan om een beroep te doen op Franse Peter ! Die herkende het kwaad en wist het te doorgronden. Heel veel heksen en tovenaars hadden dat al moeten ervaren, ook de kwaadaardige advocaten die we nog kennen uit een vorig verhaal.

Peter had heel kleine, naaldscherpe pikzwarte ogen en droeg de klep van zijn pet altijd diep over zijn ogen. In de kleine, rommelige, gezellige kamer, waar de potkachel rood stond te gloeien, zat Peter in een gemakkelijke stoel voor de tafel.

Binnen het bereik van zijn hand lag een pak gladde vettig-glimmende heiligenprentjes. De man ging tegenover hem zitten. "Vertel maar wat je op het hart hebt" zei Peter vriendelijk.

En zo begon de man zijn verhaal ! Ondertussen legde Peter de heiligenprentjes naast mekaar op tafel.

Dat is je huisje,
Dat is je kruisje,
Dat ontkom je niet,
Dat acht je niet,
Dat verwacht je niet,
Dat komt zeker!

Terwijl Peter mompelde, vertelde zijn bezoeker verder...........

Plots zette Franse Peter met een plechtig gebaar zijn pet af. Dit deed de stem van de man stokken, maar niet alleen zijn stem..... Het geluid dat van buiten doordrong, het knetteren van het hout in de potkachel, het luiden van de kerkklokken, alles scheen op dat ogenblik  uitgeschakeld te zijn, stil gevallen; een doodse stilte viel in de kamer ........

Franse Peter keek en zag, terwijl de tijd stil bleef staan .... Hij las met zijn eigen ogen in de levens van mensen, precies zoals in een uitgelegd spel kaarten.  En zo zag hij ook de bultenaar die de vrouw betoverd had. Kilometers van zijn huis zag hij hem lopen over de weg van Luik naar Brussel. De bultenaar schrok, want hij voelde dat hij werd bekeken en doorzien, maar hij wist niet hoe en door wie.

Toen zette Peter zijn pet weer op en zei : "ik zie een zwarte man met iets zwaar op zijn rug, een buidel met koopwaar.

De marskramer heeft het haar aangedaan !

Waarom? Ik zie Judas met zijn 30 zilverlingen : jouw vrouw wilde dus niets van hem kopen.
Wanneer is dit gebeurd? Ik zie Maria ten Hemel : dus het was deze zomer. Zij had niet om hem moeten lachen toen hij kwaad werd omdat zij niets van hem wilde kopen. Bultenaren vergeven zoiets niet gauw.
Ik zie de heilige Christoffel : ja zij had bijna een lange reis gemaakt, een reis waarvan niemand ooit terugkomt……..  Maar nu zal ze vlug beter zijn."

"Wie is het? Kan ik hem ook zien?" vroeg de man nieuwsgierig.
"Ja, ja, dat kan, kijk!"

De kleine potkachel stond open en hij zag hoe de vlammen fel oplaaiden.
"Let op", zei Peter. Hij gooide al prevelend een handvol poeder in het vuur, zodat het knetterde en knisperde en blauw en geel gespitste vlammen hoog oplaaiden.
"Nu zie je hem ook." Ja, hij zag het ! Onduidelijk als in een gebarsten spiegel, zag hij in de vlammen een bekend gezicht dat telkens dichterbij kwam en dan weer terug week. Soms helder en dan weer wazig in het spel der vlammen.

Het was de marskramer die Lauw wel vaker bezocht.

Zijn hand tastte naar het mes in zijn zak en dat zag Peter ook.

"Geef hem maar een snee over zijn gezicht, dan zul je hem herkennen. Hij heeft het wel verdiend."

De bezoeker boog zich naar voren en rats, het mes kliefde door de vlammen.

Was het een vonk of was het een bloeddruppel die nog even hangen bleef aan de punt van het mes?

Enige tijd daarna kwam een bultenaar uit Hasselt, met zijn zware buidel op de rug, Lauw weer eens bezoeken, als naar gewoonte. Iedereen herkende hem aan het vurig litteken dat van zijn linkeroor tot aan zijn mond liep.

Die reis had hij zich kunnen besparen ! Alle deuren bleven die dag potdicht in Lauw.